Nieuwsbrief: De mening van kinderen over contacten met hun ouders in langdurige pleegzorg

In het onderzoek “Children’s Voices on Parental Visits in Long-Term Foster Care” worden 14 kinderen tussen 6 en 16 jaar in perspectiefbiedende pleegzorg in Oost-Vlaanderen gevolgd over een periode van anderhalf tot twee jaar. Van elk kind werden twee bezoeken met ouders geobserveerd en drie interviews afgenomen (waarvan één samen met de pleegzorgbegeleider). Doel was om zicht te krijgen op hoe kinderen betekenis geven aan bezoeken, welke mogelijkheden zij hebben om deze ervaringen vorm te geven, en met welke beperkingen zij geconfronteerd worden.


Resultaten:

Allereerst blijkt dat kinderen gehoord willen worden over thema’s die hen aanbelangen, dus ook over bezoeken. Tegelijkertijd geven zij aan dat beslissingen over de bezoekregeling niet per se bij hen hoeven te liggen. Sommige kinderen gaven aan dat zij het moeilijk vinden om naar de toekomst te kijken. Zij willen gehoord worden over hoe zij zich voelen aangaande bezoeken, maar vinden dat iemand anders moet beslissen over bezoekregelingen in de toekomst. Wel willen ze de invulling van de bezoeken mee bepalen: ze sturen activiteiten in de richting van wat zij zelf leuk vinden, en houden daarbij ook rekening met de relatie die zij met hun ouder(s) hebben. Zo beschreef een jongen dat een ideaal bezoek voor hem zou zijn om met zijn mama en haar kat aan een leiband te gaan wandelen in het bos.


Tijdens de bezoeken worden de pleegkinderen door hun ouder(s) in een bepaalde leefwereld binnengeleid. Ouders bieden hen nieuwe en soms andere ervaringen, gewoonten, buurten en ideeën aan. Jongere kinderen leggen daarbij vooral de nadruk op opvallende of bijzondere momenten: een kind vertelde over fastfood eten bij zijn mama, een ander over haar prinsessenkamer bij haar mama. Oudere kinderen hebben ook meer oog voor routines en alledaagse praktijken: een jongere beschreef dat zij en haar jongere zus in de woonkamer slapen bij hun mama en dat ze dus proberen om stil te zijn wanneer de jongste gaat slapen. Een andere jongere beschreef dat hij dingen leert van zijn vader die klusjesman is en dat dit een heel ander beroep is dan dat van zijn pleegouders. De kinderen en jongeren koppelen aan deze verschillende ervaringen geen waardeoordeel.


De ervaringen van de pleegkinderen met ouderbezoeken zijn niet statisch of afhankelijk van de mate van betrokkenheid. Hun ervaringen en de betekenis die zij aan bezoeken geven zijn schommelend, afhankelijk van hun veranderende interesses, relationele dynamieken en de mate waarin met hun voorkeuren wordt rekening gehouden. Bezoeken krijgen betekenis wanneer de interacties aansluiten bij de persoonlijke interesses van het kind en de specifieke context van de ouder(s). Een van de kinderen gaf in het eerste interview aan dat haar vader niet meer haar vader hoefde te zijn en dat hij haar pijn doet. In het interview zes maanden later zei ze dat haar ouders altijd problemen hebben gehad, maar dat haar papa veel vooruitgang heeft gemaakt. Naarmate zowel de interesses van de kinderen als de situatie van hun ouder(s) veranderen, verschuift ook wat zij als betekenisvol ervaren. Zo vertelde een jongen heel enthousiast dat zijn mama erover nadacht om een computer te kopen en dat hij haar daarom graag meer bij haar thuis wil komen. En een ander pleegkind geeft aan dat hij rekening houdt met de mogelijkheden van zijn mama. Hij houdt van spelen in het zwembad en zegt dat hij aandringt als zijn pleegmama even niet met hem wil spelen. Van zijn mama daarentegen begrijpt hij dat, omdat zij problemen heeft met haar rug en dus geen fysieke spelletjes met hem kan spelen.

Daarnaast tonen de bevindingen dat kinderen actief vormgeven aan hun ervaringen tijdens en rond de bezoeken. Zij doen dit via copingstrategieën en kleine, betekenisvolle keuzes die hen helpen om met de situatie om te gaan. Wanneer zij zich ongemakkelijk voelen, kunnen zij zich terugtrekken, hun emoties uiten of hun gedrag aanpassen. Zo geeft een meisje aan dat het plekje achter de zetel voor haar heel veilig is en dat, wanneer ze heel boos is, ze daar op haar gsm speelt om tot rust te komen. Een ander kind geeft aan dat zij begint te huilen (emotie uiten) wanneer zij het gevoel heeft dat haar mama haar opnieuw geen aandacht geeft. Andere kinderen doen alsof er niets aan de hand is om geen ruzie te krijgen met hun ouder. Ook kiezen zij bewust wanneer en hoe zij over bezoeken spreken of juist zwijgen, omdat ze beseffen dat hetgeen ze zeggen geëvalueerd wordt door professionals. Sommige kinderen spreken daarom bewust over dingen die zij niet leuk vinden. Twee broers vertelden hun pleegzorger dat zij heel veel klusjes in het huis moesten doen. Nu worden die taken verdeeld tussen hen en hun stiefzussen. Andere kinderen vertellen bewust dingen niet. Zo vertelde een meisje pas wanneer de pleegzorgbegeleider er niet meer was, dat haar mama soms in paniek raakt als de pleegmoeder er niet bij is. Ze gaf aan dat je niet alles aan een pleegzorgbegeleider moet vertellen, zeker als het geen ‘heel groot probleem’ is. Kinderen geven aan dat ze pleegzorgbegeleiders zien als personen die alles proberen te zien en te weten, zoals een detective of als regisseur. Sommige kinderen praatten vooral met pleegzorgbegeleiders, zodat die hun werk beter kunnen doen. Een jongen gaf aan dat hij soms de gemiste bezoeken met zijn mama vergeet, maar door iemand van pleegzorg te zien, herinnert hij ze zich wel weer en wil hij zijn mama weer zien.

De bevraagde pleegkinderen geven aan dat ze wel degelijk ruimte hebben om hun bezoeken te navigeren, zowel tijdens als buiten de contactmomenten. Ze bepalen zelf in welke mate en op welke manier zij hun stem laten horen. Ze geven daarbij aan dat wanneer pleegzorgbegeleiders zeggen dat zij het begrijpen dat het kind boos is, dit niet helpend is. Zij vinden dat dit ongeloofwaardig is, omdat pleegzorgbegeleiders het niet kunnen begrijpen. Toch is hun invloed begrensd en zeer beperkt. Zo gaf een kind aan dat hoewel hij langer bij zijn vader mocht blijven, die hem toch vroeger terugbrengt naar de pleegzorger. Hijzelf wil liever wel langer bij zijn vader blijven. Zij zijn afhankelijk van hoe en wanneer volwassenen communiceren over bezoeken. Zij horen pas achteraf wanneer beslissingen gemaakt zijn over de contacten. Kinderen krijgen soms ook de expliciete opdracht om te zwijgen, een kind mocht van zijn grootouder bijvoorbeeld niet vertellen dat zijn vader iets van thuis gestolen had. Sommige jongeren gaven aan dat zij weten dat zij afhankelijk zijn van anderen of zij hun ouders wel of niet mogen zien, maar dat de volwassenen toch zullen moeten accepteren dat zij hun ouders willen zien. Een tiener gaf aan dat ze sowieso contact zal hebben met haar vader omdat ze dat heel graag wil. Regels rond bezoek, beperkingen opgelegd aan ouders en complexe relaties tussen pleegzorgers, ouders, professionals beperken de ruimte voor hun stem.

Mee te nemen naar de praktijk

  • Kinderen willen graag actief betrokken worden bij het bespreken van bezoekregelingen. Het is hierbij belangrijk dat een stem krijgen niet hetzelfde is als zelf beslissingen nemen. 
  • De noden en wensen van kinderen blijken te veranderen doorheen de tijd. Het is dus nodig na te gaan wat het kind nodig heeft, waar de interesses liggen en wat past bij dit kind, maar ook om dit regelmatig opnieuw na te gaan.
 

Referenties
Cannaert, N. (2026). Children’s voices on parental visits in long-term foster care. Family Relations, 75(2), 865-885.

​Zit je te wachten op informatie over een bepaald onderwerp? Heb je een schitterend idee voor een volgende nieuwsbrief? Laat het ons weten via deze rode knop!
 
Mail niet leesbaar? Klik hier  |  Uitschrijven

 Pleegzorg Kenniscentrum

Stapelplein 28, 9000 Gent

0800 30 181 | info@kenniscentrumpleegzorg.be

Sent by Sendtex