Nieuwsbrief uithuisplaatsing jonge kinderen

Uit onderzoek naar trajecten in de Niet Rechtstreeks Toegankelijke Jeugdhulp blijkt dat meer dan de helft van de kinderen die instromen wanneer ze tussen nul en twee jaar oud zijn, drie jaar later nog steeds in een hulpverleningstraject zit. Er zijn wel opmerkelijke verschillen: kinderen die instromen bij een Organisatie voor Bijzondere Jeugdzorg (OVBJ) hebben vaak een korter traject dat meestal eindigt binnen een jaar, in tegenstelling tot kinderen die instromen in de pleegzorg. Om dit nader te onderzoeken werd het onderzoek ‘Trajecten van jonge kinderen (0-2 jaar) in de jeugdhulp’ uitgevoerd.


Factoren die samenhangen met de hereniging van jonge uithuisgeplaatste kinderen met hun ouders werden onderzocht. Hiervoor werden 54 dossiers geanalyseerd: twaalf kinderen verbleven in een OVBJ en 42 in pleegzorg (26 in een netwerkpleeggezin, 16 in een bestandspleeggezin). Professionals die deze kinderen goed kennen (leefgroepbegeleiders en pleegzorgbegeleiders) werden geïnterviewd.

Na drie jaar was twee derde van de jonge kinderen nog steeds uit huis geplaatst. De uitstroom verschilde tussen pleegzorg en OVBJ: alle kinderen die pleegzorg verlieten, keerden terug naar huis, terwijl vanuit OVBJ 40% terugkeerde naar huis en 60% elders geplaatst werd. De snelheid van hereniging verschilde niet tussen pleegzorg en OVBJ. Er waren wel verschillen in plaatsingsreden en doelen die geformuleerd werden tijdens de plaatsing.

  • Bij 94% van de kinderen lagen problemen van de ouder mee aan de basis voor de uithuisplaatsing. Een kind dat uit huis geplaatst werd als gevolg van ouderlijke problemen, had een kleinere kans om herenigd te worden met zijn ouders. Hoe meer persoonlijke problemen bij de ouders, hoe kleiner de kans op een hereniging.
  • Werken naar een terugkeer naar huis was bij iets meer dan een derde van alle kinderen de primaire doelstelling. Voor de groep kinderen die verblijft binnen een OVBJ werd dit doel bij 67% van de kinderen gesteld. Voor pleegkinderen werd het slechts bij 29% van de kinderen geformuleerd. In geval van pleegzorgplaatsingen was de doelstelling vaker een langdurig perspectief uitwerken, een veilige situatie creëren en rust bieden. Wanneer het doel was om een langdurig, veilig perspectief te bieden, werd de kans op een terugkeer naar huis kleiner.

  • Daarnaast bleek dat alle ouders begeleiding kregen. Alle ouders van kinderen in een OVBJ werden ondersteund door een contextbegeleider. In pleegzorg was dat bij 21% van de ouders het geval, het merendeel werd daar enkel begeleid door een pleegzorgbegeleider.

De hulpvorm (pleegzorg of OVBJ) bleek niet samen te hangen met de kans op terugkeer naar huis.

Referentie


De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in volgende publicatie: Derkoningen, N., Van Holen, F., & Vanderfaeillie, J. (2025). Gezinshereniging en plaatsingsduurzaamheid van jonge kinderen (0-2 jaar): Geassocieerde factoren en vergelijking tussen residentiële voorzieningen en pleegzorg. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 64(3), 19-36. 


Het volledige rapport vindt u op de website van het Steunpunt WVG. 

​Zit je te wachten op informatie over een bepaald onderwerp? Heb je een schitterend idee voor een volgende nieuwsbrief? Laat het ons weten via deze rode knop!
 
Mail niet leesbaar? Klik hier  |  Uitschrijven

 Pleegzorg Kenniscentrum

Stapelplein 28, 9000 Gent

0800 30 181 | info@kenniscentrumpleegzorg.be

Sent by Sendtex